Trump

Acht jaar geleden was ik in de VS en sprak ik met enkele vrienden over de verkiezingen die toen gedomineerd werden door de opkomst van Barack Obama. Regelmatig hoorde ik in die gesprekken dat Obama steeds ‘presidentiëler’ oogde. Men had steeds meer het idee dat de man president zou kunnen zijn. Het feit dat hij als Afro Amerikaan, of zwarte, president zou kunnen zijn van het machtigste land van de wereld begon post te vatten. En hij won. Na acht jaar Obama is dit voor de meeste Amerikanen geen issue meer.

De kandidatuur van Hilary Clinton verloopt redelijk voorspoedig en ook nu zullen mensen langzaam wennen aan het idee dat hun volgende president wel eens een vrouw zou kunnen zijn. Mijn verbazing geldt in deze campagne vooral Trump. Een grote, wat onhandig ogende man. Lomp in zijn taalgebruik met eigenlijk altijd een zure, verongelijkte en tegelijkertijd boze uitstraling. Hij oogt arrogant en beledigt alles en iedereen. Toch lopen duizenden republikeinen warm voor hem. Niet de partijtop overigens, maar dat terzijde. Kunnen deze mensen zich voorstellen dat Donald Trump de volgende president van de VS zou zijn?

Ik zie Trump al bij Merkel of Hollande? Hoe gaat hij de VN toespreken? Ik kan me er eigenlijk niets bij voorstellen. In een van de debatten zei Marco Rubio dat een president niet altijd kan zeggen wat hij wil omdat het gevolgen heeft. Het probleem is dat Trump, net als Wilders en Le Pen, de retoriek die ze gebruiken zien als de uitdrukking van ‘de’ wil van ‘het’ volk en daarmee de ongenuanceerde toon en inhoud. Kritiek wordt neergezet als negeren van wat de burger wil. Tegelijkertijd wordt de kritiek geframed als aanval die gesmoord moet worden. Wilders is er erg bedreven in. Hij mag alles zeggen, maar wie kritiek op hem heeft wordt weggezet als gevaar dat bestreden moet worden.

Trump als president? Ik ben benieuwd wie, volgens de Amerikaanse kiezer, het meest presidentieel is; Trump of Clinton.

Oekraïne

Op 6 april gaan we naar de stembus. Niet voor de Tweede kamer maar om een oordeel te geven over het associatieverdrag dat de EU met Oekraïne wil sluiten. Een verdrag dat al door alle leden van de EU en het Nederlandse parlement is goedgekeurd. Maar Nederland heeft een mogelijkheid voor een referendum en daarvan heeft Tierry Baudet gebruik gemaakt. Hij nam het initiatief om een nee tegen het associatieverdrag te krijgen. Waarom? Hij legde het uit in Buitenhof vandaag. Ten eerste is hij tegen de EU omdat hij er van overtuigd is dat de landen in Europa te verschillend zijn om een munt te hebben en gezamenlijk beleid te ontwikkelen. Dat mag hij vinden. Hij zegt ik ben niet tegen samenwerking maar wel tegen de EU. Samenwerken kan ook zonder EU dus. Dat zal, maar dan vraag ik me af hoe hij ziet dat al die landen individueel het hoofd moeten bieden aan de uitdagingen waarvoor ieder van die landen gesteld is. Gesloten grenzen, leiden nu al tot duizenden vluchtelingen, vrouwen en kinderen die in Griekenland stranden. Wij sturen een vliegtuig met hulpgoederen, maar verder keren we ons af.

Terug naar Oekraïne. Tijdens het gesprek in Buitenhof kreeg Baudet de kans om het uit te leggen. De EU, zo zei hij, heeft het verdrag gebruikt om Oekraïne te destabiliseren. Tweespalt te zaaien in het land en chaos te laten ontstaan. Als de EU dat niet gedaan had, zo zei hij, dan was er in het oosten van het land geen oorlog geweest. De Krim was niet door Rusland ingenomen. En dan was ook MH17 niet uit de lucht geschoten, denk ik dan. Die chaos is dan vervolgens de aanleiding voor de regering van Oekraïne om alsnog het associatieverdrag met de EU te tekenen. Het was dus een Poetin-achtig plan van de EU om Oekraïne in te palmen.

Wie gelooft dit? Erdogan zaait onrust om de roep om een krachtige leider te versterken. Poetin doet het met het onrust stoken in Oost Oekraïne. Maar de EU? Dat is complot denken van het hoogste niveau, en helaas werd het niet tegengesproken aan de tafel.

In deze discussie, die overigens ontspoorde door gehakketak over filosofen en de Europese waarden, ging het nauwelijks over de redenen om voor het verdrag te zijn. Ik ga op 6 april gewoon voor het verdrag stemmen. Ten eerste omdat het een handelsverdrag is, zoals we ook met bv Turkije en Israël en veel andere landen hebben. Niks mis mee. Ten tweede omdat Oekraïne, de regering en een groot deel van de bevolking, het verdrag met de EU willen. Ten derde omdat samenwerken, ook al is het land corrupt, altijd beter is dan hen uitsluiten. Samen werken betekent een kans voor betere mensenrechten, bestrijden van corruptie. Ten vierde wil ik wel solidair zijn met de mensen in Oekraïne die van corruptie af willen en gewoon land willen worden. Daarom is het des te verrassender dat de SP tegen het verdrag is. Ik dacht dat de partij van de internationale solidariteit was.

Ik probeer te begrijpen waarom nationalisten zoals Wilders en dus ook Baudet, denken dat je terugtrekken achter je grenzen, het besta antwoord is op de globaliserende wereld. Ik kom er niet achter. Nog niet.

Niet bang voor asielzoekers

Als je, zoals ik, elke dag het nieuws volgt krijg je soms het gevoel of Nederland op instorten staat. De gezondheidszorg wordt ‘afgebroken’, het land wordt ‘overspoeld’ door vluchtelingen die steeds vaker als ‘gelukszoekers’ worden afgeschilderd en een ‘bedreiging’ vormen voor ‘onze’ economie. Dan is er nog van alles mis met het onderwijs. Het passend onderwijs is ‘mislukt’ en er zitten ‘duizenden’ kinderen thuis. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Waarom vluchten wij niet?

Maar als ik door de stad loop en op een zaterdagmiddag duizenden mensen met volle tassen zie lopen en daarna een terrasjes pikken in de najaarszon, dan krijg ik een heel ander gevoel. In het debat over de ‘vluchtelingencrisis’ mag dat nauwelijks gemeld worden, behalve misschien in DWDD.

Ik sluit mijn ogen niet voor de noodzaak kritisch te kijken naar de manier waarop we omgaan met vluchtelingen en ook niet dat het een belasting voor de samenleving is. Er moet immers van alles geregeld worden, er zijn huizen nodig, kinderen en jongeren moeten naar school en er moet werk komen.

Gelukkig hoor ik af en toe politici die het aandurven om te zeggen dat we snel werk moeten maken van integratie. Kijken of nieuwkomers kunnen werken en zo niet meer afhankelijk zijn van de overheid. Het is een illusie om te denken dat de Syrische vluchtelingen snel weer terugkeren. Wie dat zegt houdt je voor de gek. Alle politici in Den Haag weten dat het onzin is. Toch menen politici als Zijlstra dat het marginaliseren van nieuwkomers de beste manier is om te voorkomen dat er meer mensen naar Nederland komen. Impliciet zegt hij dus, het zijn gelukszoeker en we marginaliseren jou om anderen af te schrikken. Hij wil de mensen die hier nu zijn ‘sober’ opvangen. Als we dat doen kunnen dezelfde politici over een paar jaar zeggen dat de vluchtelingen niet geïntegreerd zijn en leven van uitkeringen. Twee keer zetels erbij in de peilingen. Wat wil je als je niet mag werken, jaren in een procedure wordt gehouden en niet mag werken en de inburgering zelf moet betalen van een gekorte bijstandsuitkering.

Wat mij betreft moeten de kinderen zo snel mogelijk naar school, de studenten naar hogeschool of universiteit om hun in Syrië begonnen studie af te maken. Geen belemmeringen daarbij. In kaart brengen wat mensen kunnen en ze daar laten wonen waar werk is dat past bij hun vaardigheden. Zo snel mogelijk aan de slag, er zijn meer dan 100.000 moeilijk vervulbare vacatures in dit land, waar geen werkeloze Nederlander voor te vinden is.

En zet de achterdeur open. Geef mensen de kans om als ze een status hebben en na verloop van tijd willen kijken of het in hun land (niet per se Syrië) weer veilig genoeg is terug te gaan. En als het toch niet lukt ze weer terug mogen komen. Dat bevordert mobiliteit en flexibiliteit. Laten we niet zo bang zijn voor nieuwkomers. We hebben het in Nederland al eeuwen gehad, en we zijn er nooit slechter van gehad. Als we mensen maar de kans en de ruimte geven. Vertrouw op de eigen kracht van mensen.

Campagne voeren

De afgelopen week heb ik vijf debatten gevoerd met Letty Demmers, de andere kandidaat voor het voorzitterschap van D66. We zijn beide D66-ers in hart en nieren, en dan is het soms lastig om campagne te voeren. Waarin verschil je van elkaar? Zijn het accentverschillen of gaat het ook dieper? Hebben we een andere kijk op de rol van voorzitter? Ik denk dat ik in ieder geval de afgelopen week een steeds scherper beeld heb gekregen van mijn ambitie met D66.

Campagne voeren voor mezelf is nieuw. Ik heb veel campagne gevoerd voor D66 tijdens alle verkiezingen sinds 2006. Je prijst D66 aan en de sociaal liberale agenda, maar zelden hoef je te zeggen, stem op mij. Dit keer moet dat wel.

Ik heb me kandidaat gesteld omdat ik denk dat ik de afgelopen tien jaar, als afdelingsvoorzitter en wethouder voor D66 zoveel ervaring heb opgedaan, dat ik die als voorzitter in Den Haag kan gebruiken om de partij sterker te maken. Ik weet hoeveel energie er in gaat zitten om in een vrijwilligersorganisatie mensen te motiveren en ruimte te geven. Maar ik heb ook gezien dat er af en toe knopen door gehakt moeten worden als karakters botsen, avonturiers op het toneel verschijnen, of tegengestelde belangen bij elkaar gebracht moeten worden.

Een belangrijke taak van de landelijk voorzitter ligt voor mij in het inspireren en motiveren van de vereniging. We zijn een politieke vereniging, geen vrijblijvende debatclub. Natuurlijk moeten we met elkaar in debat, maar dat doen we niet zomaar. Het doel is ons gedachtengoed uit te werken, te toetsen aan de werkelijkheid en oplossingen te bedenken. En vervolgens moeten we als partij de invloed verwerven om die ideeën in politiek handelen om te zetten.

Om dat te realiseren moeten we voldoende zetels hebben. Dan kunnen we meeregeren en onze idealen in de praktijk brengen. Dat is ons de afgelopen jaren gelukt in honderden gemeenten en in negen van de twaalf provincies. Het moet ook ons doel zijn om landelijk invloed uit te oefenen. Het beleid mede te bepalen. Dat kan als constructieve oppositie, maar in een kabinet neemt de invloed toe. Daarvoor moeten er kamerzetels gewonnen worden.

Zetels winnen doe je met een geloofwaardig, aansprekend programma. Met een goed georganiseerde partij met veel vrijwilligers die de straat op gaan met onze boodschap. Zetels winnen we door enthousiast ons gedachtengoed uit te dragen en de kiezer mee te nemen in onze idealen.

Voor die optimistische D66 instelling wil ik gaan. Een D66-er is iemand die ‘s morgens niet op staat met de idee ‘waar zal ik me vandaag eens aan ergeren’. Van díe partij en van díe D66-ers wil ik de voorzitter zijn en ik hoop van harte dat ik daarvoor voldoende steun krijg in de partij.

D66 = onderwijspartij

Tijdens een gezellig etentje vroeg iemand mij of het waar was dat D66 wel af zou willen van het predikaat ‘onderwijspartij’. Ik ken dat gerucht niet en ik kan uit betrouwbare bron melden dat dat zeker ook niet waar is. Waarom zouden we van een predikaat af willen dat zo goed weergeeft waar D66 voor staat? Ik ben er van overtuigd dat onderwijs, goed onderwijs natuurlijk, de basis is voor volwaardige deelname in de samenleving. Investeren in onderwijs is en blijft daarom de hoogste prioriteit.

Ik ben deze weken campagne aan het voeren om voorzitter van D66 te worden. Voor mijn campagne heb ik als een van mijn speerpunten scholing & training opgenomen. De laatste jaren heeft de partij al mooie scholingstrajecten ontwikkeld, waarmee een flink deel van het kader bereikt wordt. Maar nu we steeds groter worden en we op steeds meer plaatsen raadsleden, statenleden en wethouders leveren, neemt ook de behoefte aan scholing en training toe. Daarnaast zijn er steeds meer afdelingen masterclasses aanbieden, of bijeenkomsten waarin niet alleen over politieke thema’s wordt gesproken, maar waar men leert debatteren, argumenteren en bijvoorbeeld moties en amendementen schrijven. Dit soort scholing maakt onze bestuurders en raads- en statenleden sterker. En laten we wel wezen, nu we verantwoordelijkheid dragen op zoveel plaatsen in het land, moeten we laten zien dat we het kunnen en kwaliteit leveren.

Als lid van het landelijk bestuur zie ik dat er ook bij de leden een grote behoefte is om deel te nemen aan het debat. Met elkaar in gesprek gaan over belangrijke maatschappelijke thema’s en zo een bijdrage leveren aan de politieke meningsvorming. Thema-afdelingen spelen hier een belangrijke rol in, maar ook initiatieven op lokaal en regionaal niveau. Daarmee bouwen we aan een nieuwe generatie politici die straks de plaats van huidige bestuurders en volksvertegenwoordigers kunnen innemen. Daar hoort scholing vanzelfsprekend bij.

Het congres nam in mei 2015 een motie aan waarin opgeroepen wordt om jaarlijks minimaal € 1,00 per lid per jaar voor scholing en intern debat te reserveren. Daar ben ik het van harte mee eens. Een onderwijspartij moet niet alleen willen investeren in ons nationale onderwijs maar zeker ook in de scholing en training in de partij. Daar zet ik me voor in.