Trump

Acht jaar geleden was ik in de VS en sprak ik met enkele vrienden over de verkiezingen die toen gedomineerd werden door de opkomst van Barack Obama. Regelmatig hoorde ik in die gesprekken dat Obama steeds ‘presidentiëler’ oogde. Men had steeds meer het idee dat de man president zou kunnen zijn. Het feit dat hij als Afro Amerikaan, of zwarte, president zou kunnen zijn van het machtigste land van de wereld begon post te vatten. En hij won. Na acht jaar Obama is dit voor de meeste Amerikanen geen issue meer.

De kandidatuur van Hilary Clinton verloopt redelijk voorspoedig en ook nu zullen mensen langzaam wennen aan het idee dat hun volgende president wel eens een vrouw zou kunnen zijn. Mijn verbazing geldt in deze campagne vooral Trump. Een grote, wat onhandig ogende man. Lomp in zijn taalgebruik met eigenlijk altijd een zure, verongelijkte en tegelijkertijd boze uitstraling. Hij oogt arrogant en beledigt alles en iedereen. Toch lopen duizenden republikeinen warm voor hem. Niet de partijtop overigens, maar dat terzijde. Kunnen deze mensen zich voorstellen dat Donald Trump de volgende president van de VS zou zijn?

Ik zie Trump al bij Merkel of Hollande? Hoe gaat hij de VN toespreken? Ik kan me er eigenlijk niets bij voorstellen. In een van de debatten zei Marco Rubio dat een president niet altijd kan zeggen wat hij wil omdat het gevolgen heeft. Het probleem is dat Trump, net als Wilders en Le Pen, de retoriek die ze gebruiken zien als de uitdrukking van ‘de’ wil van ‘het’ volk en daarmee de ongenuanceerde toon en inhoud. Kritiek wordt neergezet als negeren van wat de burger wil. Tegelijkertijd wordt de kritiek geframed als aanval die gesmoord moet worden. Wilders is er erg bedreven in. Hij mag alles zeggen, maar wie kritiek op hem heeft wordt weggezet als gevaar dat bestreden moet worden.

Trump als president? Ik ben benieuwd wie, volgens de Amerikaanse kiezer, het meest presidentieel is; Trump of Clinton.

22 februari 1944

Deze week zat ik, in het zonnetje, op het bankje in mijn voortuintje. De vogels floten in de frisse groene bladeren van de bomen in mijn straat. 70 jaar geleden moet het er hier heel anders uitgezien hebben. Mijn huis stond er niet en dat van de buren ook niet. In het half jaar voor het einde van de oorlog wat Nijmegen frontstad. Bijna dagelijks vielen er granaten overal in de stad. Ook op de plek waar mijn huis nu staat. Een gapend gat in de straat en zo waren er veel plekken waar de oorlog zijn sporen achterliet. Een straat verderop, in de Ruisdaelstraat, lagen de gevels van een hele rij huizen er uit. Voor wie het weet, kan zien dat hier iets gebeurd moet zijn, lang geleden.

Mijn buurman, kwam op zijn fiets langs en kwam bij me op het bankje zitten en vertelde over de laatste maanden van de oorlog en hoe de Canadezen en de Amerikanen door mijn straat en de volgende straat oprukten naar de Waalbrug. Het geweld en de angst moeten enorm geweest zijn.

Op 22 februari 1944, ruim een jaar voor het einde van de oorlog, werd Nijmegen gebombardeerd door uit Duitsland terugkerende Engelse en Amerikaanse bommenwerpers die met hun bommen op de terugweg waren omdat het weer in Duitsland te slecht was om doelen te kunnen zien. Boven Nederland was de lucht opgeklaard en ze besloten hun bommen alsnog te laten vallen, op wat ze dachten dat Duitse steden waren. De historische binnenstad van Nijmegen werd bijna compleet weggevaagd. Er vielen zeker 800 doden, maar waarschijnlijk meer omdat onderduikers niet werden meegeteld.

Op nog geen 100 meter van mijn huis liggen vele slachtoffers van dat bombardement begraven. Wie weet het nog. Misschien nu, in deze tijd van herdenken, staan we er bij stil. Ik hoorde het in de Stevenskerk dit jaar weer en natuurlijk bij de herdenking van het bombardement bij het monument ‘De schommel’ in de tuin van het stadhuis. Maar door het jaar heen kan ik nergens in Nijmegen terecht om te zien waarom onze binnenstad er uitziet zoals die er uit ziet.

Nog niet zo lang geleden ontmoette ik in de stad een echtpaar uit Assen dat de stad bezocht en mij de weg vroeg. Tegelijkertijd merkten ze op dat de binnenstad zo anders was dan ze verwacht hadden. De verwachtten een oude binnenstad. Ik kon ze vertellen waarom dat zo was, maar ik kon ze niet naar een plek verwijzen waar ze het hele verhaal konden zien. Dat is een gemis vind ik.

Het wordt tijd dat we in Nijmegen een permanente plek krijgen waar de herinnering aan het bombardement en de periode van Nijmegen als frontstad levend gehouden wordt voor komende generaties. We hebben het geprobeerd in het Vrijheidsumseum dat we in de Vasim wilden vestigen. Dat is niet gelukt. Maar nu wordt het tijd voor een nieuw initiatief om deze belangrijke periode in de geschiedenis van Nijmegen zichtbaar te maken. Het is te belangrijk voor de stad om daarvoor te verwijzen naar het Bevrijdingsmuseum in Groesbeek. Misschien alsnog in de Vasim als initiatief van de huidige gebruikers, of in de benedenverdieping van Museum het Valkhof. Of misschien toch permanent in de Marienburgkapel?

Nijmegen is de oudste stad van Nederland en er wordt vaak geroepen dat de geschiedenis dan ook zichtbaar moet worden. Het wordt tijd dat dit gebeurt, niet met een incidentele tentoonstelling maar een permanent museaal monument voor de slachtoffers van het bombardement en de periode van Nijmegen als frontstad.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bombardement_op_Nijmegen

http://www.brandgrens024.nl/

 

De grootste filestad …

Deze week maakte TomTom bekend dat Nijmegen ‘de grootste filestad van Nederland’ is. Ik weet niet of dit taalkundig correct geformuleerd is, maar feit is dat uit de meetgegevens van TomTom blijkt dat de vertraging door files in Nijmegen het grootst is. Op de voet gevolgd door Groningen.

We krijgen het persbericht onder embargo op dinsdagmiddag via de NOS die er woensdagochtend op Radio 1 meteen aandacht aan wil besteden. Of ik om 06.50 in de uitzending wil reageren. Dat vraagt om voorbereiding en even later zitten we met een paar mensen om de tafel om de uitkomsten van TomTom onder de loep te nemen en onze reactie te bepalen.

Ik ben er natuurlijk niet blij mee, maar een verrassing is het ook niet. We bouwen niet voor niets een nieuwe brug over de Waal. Op 23 november krijgt Nijmegen er eindelijk, 77 jaar na opening van de eerste en enige brug over de Waal en een tweede brug bij. Dat zal veel invloed hebben op de verkeersafwikkeling in de stad.

Het op zich vervelende bericht van TomTom, biedt ons ook de kans om alle investeringen in bereikbaarheid van de stad de afgelopen drie jaar, zo’n 300 miljoen euro, voor het voetlicht te brengen. We maken immers niet alleen de oversteek maar ook een nieuwe Stadsroute (de S100), we realiseerden zo’n 30 km snelfietsroute. Er komen nieuwe fietsenstallingen bij het station (3000) en onder Plein 44 (1000) en we maken een tweede transferium bij Neerbosch waar de automobilist kan overstappen op de snelle bus naar de campus of via de snelfietsroute naar zijn werk kan fietsen.

Allemaal maatregelen die er voor moeten zorgen dat Nijmegen beter bereikbaar wordt. Dat we niet alleen naar de auto kijken maar ook naar fiets en OV wordt steeds meer als vanzelfsprekend gezien. Minister Schulz zei het in Buitenhof deze week nog heel duidelijk. Alleen meer asfalt is onvoldoende. We moeten de infrastructuur die we hebben beter benutten en sturen op het gebruik van alternatieven. Dat die nieuwe brug hard nodig is staat vast en ook de verbreding van de A50 bij Ewijk helpt om de kwetsbare infrastructuur van Nijmegen robuust te maken. Dat kost even tijd, maar deze maand al openen we de tweede brug waar we zo lang naar hebben gesmacht en een nieuwe stadsroute die helpt om het verkeer beter af te wikkelen. Daarna volgen een nieuw transferium, de opknap van de oude waalbrug, nieuwe snelfietsroutes en stallingen, en zo gaan we de komende tijd door. Kortom, Nijmegen investeert stevig in bereibaarheid én leefbaarheid. In dat opzicht staat de stad dus zeker niet stil! En met die TomTomlijst komt het dan ongetwijfeld ook wel goed. Wij werken er hard aan.

 

Integrale Kindcentra

Bijna drie uur doet de trein er over naar Groningen. Ik hou wel van treinreizen. Heerlijk rustig in de coupe, zeker als je niet in de spits hoeft te reizen. Stukken lezen, mail beantwoorden of gewoon maar naar het voorbij zoevende landschap kijken. Ik ben op weg naar Groningen om daar een bijeenkomst van de Koplopergemeenten te bezoeken. Wat een vakjargon, maar wij weten zelf wel waar het om gaat, gelukkig. In de Puddingfabriek, net achter Groningen CS, komen we bij elkaar om ervaringen uit te wisselen over het ontwikkelen van Integrale Kindcentra. Dit keer staan de ervaringen van de Groningse Vensterscholen centraal.

Begin jaren tachtig zorgde een wetswijziging er voor dat kleuterscholen lagereschool samengevoegd werden tot de basisschool. Een enorme operatie waaraan ik zelf indertijd ook intensief gewerkt heb toen ik werkte bij de onderwijs begeleidingsdienst in Arnhem. Nu staan we weer een voor een soortgelijke ontwikkeling, alleen gaan we nog een stap verder. We werken aan het samenvoegen van voorschoolse voorzieningen (kinderopvang en peuterspeelzalen) met het onderwijs. Niet door het een nieuwe school te maken dit keer, maar door de pedagogische en de didactische aanpak in deze voorzieningen op elkaar af te stemmen. In Nijmegen past het in het ontwikkelen van de Brede School.

Een integraal kindcentrum is een voorziening voor alle kinderen van 0 tot 12 jaar. Een pedagogisch concept met voorzieningen voor onderwijs en opvang in een samenhangend geheel. Voor ouders is er een aanspreekpunt voor tussenschoolse opvang, kinderopvang, onderwijs, buitenschoolse opvang of opvoedingsvragen. Zo’n voorziening, zo stellen we ons dat als koplopergemeenten voor, is open van ’s morgens 7 tot ’s avonds 7. Dit vraagt natuurlijk intensieve samenwerking tussen onderwijs, kinderopvang maar ook welzijnsorganisaties. En er doemen natuurlijk veel financieringsvraagstukken op. Maar samenwerken staat voorop en het kind staat centraal.

Om dat te bereiken is het ook nodig dat de politiek, in Den Haag, in beweging komt. Het demissionaire kabinet heeft de kinderopvang bij onderwijs weggehaald en ondergebracht bij Sociale Zaken en werkgelegenheid. Dat moet wat ons betreft terug naar Onderwijs. De ontwikkeling van het kind staat immers centraal en niet louter de opvang. Het tweede element in onze lobby naar de politieke partijen is een passage in de verkiezingsprogramma’s om in de wet aan te passen zodat integrale kindcentra gemakkelijker gerealiseerd kunnen worden.

De discussie in de Puddingfabriek is zeer inhoudelijk en levert een steeds helderder beeld op van de prioriteiten die we moeten stellen. Interessante ervaringen van de Vensterscholen uit Groningen passeren de revue. Veel aandacht is er voor de samenwerking tussen overheid en schoolbesturen, en hoe verantwoordelijkheden gedeeld en vastgelegd zouden moeten worden.

Hoewel het een lange reis is, was het de moeite waard. Op de terugweg realiseer ik met dat we in Nijmegen in ieder geval een voordeel hebben ten opzichte van veel andere steden. Dat is het beperkt aantal schoolbesturen waarmee we moeten werken en de uitstekende relatie daarmee. Dat biedt een uitstekende basis om de ontwikkeling van integrale kindcentra om Nijmegen de komende jaren dichterbij te brengen.

De tram terug in Nijmegen

Afgelopen dinsdagavond mocht ik in Museum de Stratemakerstoren vertellen hoe we met het project Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) werken aan de terugkeer van de tram in Nijmegen. Temidden van prachtige foto’s en verhalen van de tram zoals die tot de jaren vijftig in Nijmegen en de omgeving reed. Trotse trambestuurders naast hun tram en feestvierende bewoners bij de ingebruikname van alweer een nieuwe lijn naar hun wijk.

Zover zijn we nu nog niet maar ik merk dat er veel enthousiasme is voor de terugkeer van de tram. Onder de bezoekers van mijn lezing bevond zich één van de laatste bestuurders van het Bergspoor, de tramlijn tussen Nijmegen en Berg en Dal. Een andere bezoeker was zelfs speciaal uit Maarssen gekomen. Oude liefde roest kennelijk niet!

We hebben het laatste jaar enorme stappen vooruit gezet met het ontwikkelen van onze plannen. De eerste HOV-lijn (Lijn 1) loopt wat ons betreft van treinstation Heyendaal via het centrum naar Nijmegen-Noord. Daar zou een tak moeten afbuigen naar Elst en de andere naar Bemmel. Om een tram te realiseren moet er veel geïnvesteerd worden en om die kosten terug te verdienen zijn voldoende passagiers nodig. Op het genoemde traject weten we nu al zeker dat tussen centraal station en de campus Heyendaal voldoende passagiers zijn om een tram rendabel te maken. Dat wordt nog beter als we de tram meteen door laten rijden naar Plein 44.

Nog beter wordt het als het lukt deze tram niet bij Heyendaal te laten stoppen maar als die door kan rijden naar Kleve. De grens over dus, naar Duitsland. Kortgeleden heeft de Stadsregio een rapport vastgesteld waarin de resultaten staan van de haalbaarheidsstudie van herstel van de spoorverbinding met Kleve. Uit het onderzoek blijkt dat de lijn haalbaar is, zéker als ze gekoppeld wordt aan de tram in Nijmegen. Dan ontstaat een rechtstreekse verbinding tussen Nijmegen centrum en Kleve centrum.

Daar waar in Nederland en het buitenland de afgelopen jaren tramverbindingen zijn aangelegd blijkt dat het aantal passagiers na ingebruikname tientallen procenten hoger ligt dan de prognoses. Ik ben er dan ook van overtuigd dat de tram in Nijmegen kan terugkeren en kan bijdragen aan het verbeteren van de bereikbaarheid van de stad. Wanneer rijdt ie dan? Dat is een lastig te beantwoorden vraag, maar als alles voorspoedig verloopt, zou het in 2017 mogelijk moeten zijn.

Voorlopig blijft er nog veel werk te verrichten om de vele tientallen miljoenen die er nodig zijn bij elkaar te lobbyen. Dat geld moet onder andere van de Stadsregio en het Rijk komen. En we moeten zelf nog sparen. Basis voor succes is in ieder geval enthousiasme voor het plan. Dat proefde ik in de zaal, en dat zie je ook terug in de resultaten van een peiling onder de leden van het Stadspanel. Ik ben benieuwd of we datzelfde enthousiasme gaan treffen tijdens de ‘Dialoog met de stad’ die de komende maanden gevoerd gaat worden. Doel van deze dialoog is het inventariseren van wensen en eisen van belanghebbenden, onder andere door middel van stadsgesprekken, een Lux-debat, een bezoekersruimte, en de inzet van social media. Wat mij betret is het motto voor de komende maanden dan ook: ‘denk mee over het HOV!’