Subsidie, emotie en objectiviteit

De overheid geeft subsidies aan tientallen instellingen en organisaties. Die subsidies, groot of klein, moeten passen binnen het beleid dat door de raad is vastgesteld. Voor de grote gesubsidieerde instellingen zoals de bibliotheek, het museum of LUX stellen we overeenkomsten op waarin voorwaarden gesteld worden aan de besteding van de beschikbaar gestelde middelen. Dat betekent dat we, binnen het door de raad vastgestelde beleid, eisen stellen aan de te bereiken doelen, de kwaliteit en de deugdelijkheid van het bestuur van de organisatie. Dat levert in de praktijk flinke discussies op als een nieuwe organisatie een beroep ons doet met een sympathiek product, zoals het MuZieum, heet museum over zien en iet zien in Nijmegen.

Dit najaar ga ik voor vijf culturele instellingen nieuwe afspraken maken over de subsidie voor de komende jaren. Dat wordt een flinke klus omdat het niet de bedoeling is eenzijdig te bepalen wat de voorwaarden zullen zijn. Er zal de komende maanden veel met alle instellingen worden overlegd. Naast de budgetovereenkomst met de grote instellingen komen er ook tussendoor vragen binnen om financiële steun van de gemeente. Ik heb de afgelopen weken gemerkt dat er aan (bijna) elk initiatief dat om steun vraagt wel een mooi verhaal zit. Het biedt mensen een zinvollen vrije tijdsbesteding, het heeft educatieve waarde, het trekt mensen naar de stad of het is zo’n leuk initiatief van betrokken mensen. Dan is het zaak om een afweging te maken tussen emotie en objectiviteit.

Het eerste criterium waaraan ik elk verzoek om ondersteuning met overheidsgeld toets is of het binnen ons beleid past. De raad heeft immers niet voor niets, na zorgvuldige afweging, besloten dat de publieke gelden besteed moeten worden aan helder omschreven doelen. Dat is het beleid. Het tweede criterium is de effectiviteit van een eventuele bijdrage. Terecht kijken we kritisch naar de manier waarop de gesubsidieerde instellingen de ontvangen middelen besteden, of er niet te veel aan overhead wordt besteed en of de vooraf gestelde doelen zijn bereikt. Als er dus besloten moet worden over een aanvraag, stel ik mij meteen ook de vraag of de investering het beoogde doel, met enige mate van zekerheid, kan bereiken.

Voor een antwoord op beide criteria kijken we kritisch naar de organisatie, de ervaringen uit het verleden, de financiële basis en het toekomstperspectief. Alleen als op beide vragen een positief antwoord gegeven kan worden kan een besluit tot subsidie aan de raad worden voorgelegd. Binnen die afweging is er in de besluitvorming geen ruimte voor emotie. Dan zal het dus voorkomen dat verzoeken om subsidie worden afgewezen, hoe sympathiek het verzoek misschien ook is. Vanuit dit perspectief heb ik de raad gisteravond geantwoord, toen we het opnieuw over het MuZieum hadden. Hoe sympathiek de rondleiding in het donker, die ik zelf heb mogen meemaken, ook is.